Kortere quarantaine bij mazelen in lagere scholen en kinderdagverblijven: een simulatiestudie ondersteunt een gerichtere aanpak

Cécile Kremer1*, Naïma Hammami2, Laura Cornelissen3, Heidi Theeten2,4, Toon Braeye1,3, Andrea Torneri1, Steven Abrams1,5, Niel Hens1,6

1. Data Science Institute, I-BioStat, Universiteit Hasselt2. Departement Zorg, Vlaamse Overheid, Brussel3. Departement Epidemiologie en Volksgezondheid, Sciensano, Brussel4. Centrum voor de Evaluatie van Vaccinaties, VAXINFECTIO, Universiteit Antwerpen5. Global Health Institute, FAMPOP, Universiteit Antwerpen6. Centre for Health Economics Research & Modelling Infectious Diseases, VAXINFECTIO, Universiteit Antwerpen

Bij een mazelengeval in een lagere school of kinderdagverblijf werden vatbare kinderen in het verleden vaak gedurende 21 dagen geweerd om verdere verspreiding te voorkomen. Die maatregel is doeltreffend, maar heeft een grote impact op kinderen, gezinnen en scholen. Met een wiskundig simulatiemodel onderzochten we of een kortere quarantaineduur dezelfde bescherming kan bieden, met minder maatschappelijke belasting. Een quarantaine van 18 dagen bleek in de meeste onderzochte simulatiescenario’s vrijwel even effectief als een quarantaine van 21 dagen. Deze simulatieresultaten vormden mee de wetenschappelijke basis voor de herziening van de Vlaamse richtlijnen rond quarantaine voor de aanpak van mazelenuitbraken.


Take-home messages

  • De vaccinatiegraad in de school of kinderopvang is bepalend voor het risico op verdere verspreiding en moet daarom richting geven aan de keuze van maatregelen.
  • Een quarantaine van 18 dagen voor blootgestelde, niet-immune kinderen in scholen met een vaccinatiegraad onder 70% en kinderdagverblijven is in de meeste situaties vrijwel even doeltreffend als 21 dagen.
  • Gerichtere maatregelen kunnen de maatschappelijke impact van mazelenuitbraken beperken zonder de volksgezondheid in het gedrang te brengen.
  • Mazelen blijft een uitdaging

    Hoewel België in 2018 officieel de eliminatiestatus voor mazelen behaalde, is het virus de voorbije jaren opnieuw aan een opmars bezig (1). Met een incidentie van 44,9 gevallen per 1.000.000 populatie (527 gerapporteerde gevallen) behoorde België in 2024 zelfs tot de Europese landen met de hoogste incidentie van mazelen, na Roemenië en Oostenrijk (2). Ondanks een lagere incidentie in vergelijking met 2024 was de mazelenincidentie in België in 2025 nog steeds hoger dan het EU/EER-gemiddelde (3). Deze heropleving illustreert dat een hoge gemiddelde vaccinatiegraad alleen niet volstaat om uitbraken volledig te voorkomen (4). Lokale verschillen in vaccinatiegraad en clusters van onvoldoende gevaccineerde personen creëren omstandigheden waarin het virus zich opnieuw snel kan verspreiden (5, 6).

    Vooral lagere scholen en kinderdagverblijven vormen kwetsbare omgevingen. Kinderen hebben er veel onderlinge contacten en in kinderdagverblijven zijn bovendien veel baby's aanwezig die nog te jong zijn om volledig beschermd te worden door middel van vaccinatie. Zodra een besmet kind aanwezig is, kan het virus zich snel verspreiden als geen bijkomende maatregelen worden genomen.

    Om verdere verspreiding te voorkomen, werden blootgestelde kinderen zonder bewijs van immuniteit in het verleden gedurende 21 dagen na het laatste besmettelijk contact geweerd uit de school of kinderopvang. Deze eerdere aanbeveling was gebaseerd op de veronderstelde maximale incubatieperiode van mazelen (7). In de praktijk betekent dit echter dat kinderen die mogelijk werden blootgesteld gedurende drie weken onderwijs of opvang missen, terwijl ouders vaak zelf andere opvang moeten organiseren of hiervoor werk moeten onderbreken. De maatschappelijke impact van deze maatregel is dan ook aanzienlijk (8).

    Daarom rijst de vraag of deze lange quarantaineperiode in alle situaties noodzakelijk is. Is het mogelijk om dezelfde bescherming tegen verdere verspreiding te verkrijgen met minder langdurige maatregelen? Deze vraag stond centraal in onze studie.

    Hoe test je quarantainestrategieën zonder echte uitbraak?

    Om na te gaan welke quarantainestrategie de beste balans biedt tussen infectiecontrole en maatschappelijke impact, ontwikkelden we een wiskundig simulatiemodel dat de verspreiding van mazelen nabootst in een lagere school en in een kinderdagverblijf. Het model beschrijft hoe een besmet kind het virus kan doorgeven aan andere kinderen, rekening houdend met de incubatieperiode, de besmettelijke fase, de contactpatronen tussen kinderen en de vaccinatiegraad in de voorziening. Daarnaast werd ook rekening gehouden met de tijd die nodig is om een besmetting te herkennen, een diagnose te stellen en vervolgens quarantaine- of vaccinatiemaatregelen op te starten (9). Verdere contacten tussen kinderen buiten de specifieke voorziening werden niet in rekening gebracht en secundaire besmettingen zijn bijgevolg uitsluitend toe te schrijven aan transmissie binnen de gegeven context.

    Verschillende simulatiescenario’s werden vervolgens met elkaar vergeleken wat betreft de kans op een nieuwe besmettingsgolf, het gemiddelde aantal secundaire infecties veroorzaakt door het indexgeval, de kans op besmettelijkheid bij terugkeer uit quarantaine en de uiteindelijke uitbraakgrootte. Voor die laatste uitkomst werd gekeken naar het aantal tertiaire gevallen, aangezien het aantal secundaire gevallen nauwelijks door de quarantainemaatregelen wordt beïnvloed. Naast een situatie zonder quarantaine werden quarantaines van 21 en 18 dagen onderzocht, alsook quarantaines die pas beginnen op de 5e dag na blootstelling (9). Ook werd nagegaan welke meerwaarde postexpositievaccinatie (PEV) nog kan bieden wanneer deze pas wordt toegediend aan vatbare kinderen op de 4e dag (> 72u) na de eerste blootstelling. Omdat de epidemiologische situatie sterk kan verschillen tussen voorzieningen, werden bovendien simulaties uitgevoerd onder uiteenlopende vaccinatiegraden en onder verschillende aannames over de snelheid waarmee gevallen worden opgespoord.

    Vaccinatiegraad bepaalt het risico

    De simulaties bevestigen dat de vaccinatiegraad de belangrijkste factor is die bepaalt hoe groot een mazelenuitbraak kan worden. Wanneer de meeste kinderen beschermd zijn, blijft de verspreiding doorgaans beperkt. Daalt de vaccinatiegraad, dan neemt de kans op opeenvolgende besmettingsgolven snel toe en kunnen uitbraken aanzienlijk groter worden (Figuur 1).

    __LR

    Wanneer de meeste kinderen beschermd zijn, blijft de verspreiding doorgaans beperkt. Daalt de vaccinatiegraad, dan neemt de kans op opeenvolgende besmettingsgolven snel toe en kunnen uitbraken aanzienlijk groter worden.

    ____LR

    Figuur 1: Uitbraakgrootte en kans op een nieuwe besmettingsgolf in een lagere school voor een quarantaine van 18 dagen versus 21 dagen, voor verschillende vaccinatiegraden.

    Is 21 dagen quarantaine echt nodig?

    Een van de belangrijkste bevindingen van de studie is dat een quarantaineperiode van 18 dagen na de laatste blootstelling in de meeste onderzochte situaties vrijwel even doeltreffend is als de klassieke periode van 21 dagen. Hoewel een klein aantal besmette kinderen na een kortere quarantaine nog steeds besmettelijk kan zijn wanneer zij terugkeren naar school of de kinderopvang, leidde dit in de simulaties slechts zelden tot bijkomende besmettingen (9). De reden hiervoor is dat de meeste secundaire besmettingen al plaatsvinden vóór het indexgeval wordt herkend, en quarantaine kan deze eerste verspreiding dus niet meer voorkomen (10). De belangrijkste functie van quarantaine bestaat erin verdere verspreiding door secundair besmette kinderen tegen te houden. Tegen de 18e dag na blootstelling is het risico dat een nog niet ontdekte infectie aanleiding geeft tot een nieuwe besmettingsketen in de meeste situaties zeer beperkt.

    Deze bevinding is beleidsmatig belangrijk. Een verkorting met drie dagen lijkt beperkt, maar betekent voor gezinnen een aanzienlijke vermindering van de praktische, sociale en bredere maatschappelijke belasting. Kinderen kunnen sneller terug naar school of het kinderdagverblijf, waardoor de belasting voor gezinnen, scholen en kinderopvang kleiner wordt (11).

    ____LR

    Een quarantaine van 18 dagen na blootstelling aan mazelen blijkt in de meeste school- en opvangsituaties vrijwel even doeltreffend als de klassieke periode van 21 dagen, terwijl de maatschappelijke impact substantieel kleiner is, met minder verloren schooldagen en een geringere belasting voor de getroffen gezinnen.

    __LR

    Wanneer biedt PEV een meerwaarde?

    De simulaties tonen ook dat PEV, indien dit niet binnen de 72 uur na eerste blootstelling kan worden toegediend, nog steeds nuttig kan zijn als aanvullende maatregel in situaties met een verhoogd risico. In scholen met een lagere vaccinatiegraad (bv. 20%), bij meerdere introducties van het virus of wanneer indexgevallen minder snel worden opgespoord, bleek zulke ‘reactieve vaccinatie’ van blootgestelde kinderen de kans op verdere verspreiding duidelijk te verminderen. Kinderen die tijdens de blootstelling niet besmet raakten, bouwen hierdoor bescherming op tegen toekomstige blootstellingen tijdens de huidige of een nieuwe uitbraak. De maatregel draagt dus niet alleen bij aan de bestrijding van de huidige uitbraak, maar versterkt ook de groepsimmuniteit binnen de school of kinderopvang.

    Wat betekenen deze resultaten voor de praktijk?

    De studie toont aan dat quarantainemaatregelen niet noodzakelijk voor elke school of kinderopvang identiek hoeven te zijn. De lokale epidemiologische situatie speelt immers een belangrijke rol. Factoren zoals de vaccinatiegraad, de snelheid waarmee een mazelengeval wordt herkend en de mogelijkheid om snel aanvullende maatregelen te nemen, bepalen samen hoeveel risico er bestaat op verdere verspreiding.
    Een uniforme aanpak biedt eenvoud, maar houdt onvoldoende rekening met de grote verschillen tussen scholen en opvanglocaties. In een school waar vrijwel alle kinderen beschermd zijn, is de kans op een grote uitbraak immers veel kleiner dan in een omgeving waar een aanzienlijk deel van de kinderen nog vatbaar is. Onze resultaten ondersteunen daarom een proportionelere benadering, waarbij maatregelen worden afgestemd op het werkelijke risico.

    Een snelle klinische herkenning, diagnostiek en onmiddellijke melding aan Departement Zorg blijven essentieel om contactonderzoek en eventuele quarantaine na een risico-inschatting tijdig op te starten. Omdat besmette kinderen reeds besmettelijk zijn vóór de typische huiduitslag optreedt, kan quarantaine secundaire besmettingen niet volledig voorkomen. Hoe sneller een diagnose wordt gesteld en contacten worden opgespoord, hoe groter de kans dat verdere verspreiding kan worden beperkt. De rol van huisartsen, kinderartsen en CLB-artsen blijft daarbij cruciaal.

    __LR

    Factoren zoals de vaccinatiegraad, de snelheid waarmee een mazelengeval wordt herkend en de mogelijkheid om snel aanvullende maatregelen te nemen, bepalen samen hoeveel risico er bestaat op verdere verspreiding.

    ___LR

    Van simulatie naar beleid

    Wiskundige modellen vereenvoudigen onvermijdelijk de werkelijkheid en kunnen klinische ervaring nooit volledig vervangen. Ze staan echter wel toe om beleidskeuzes vooraf onder uiteenlopende omstandigheden te evalueren, zonder te moeten wachten op een echte mazelenuitbraak waarin het onethisch zou zijn bepaalde scenario’s te toetsen aan de werkelijkheid. In deze simulatiestudie werden daarom ook verschillende gevoeligheidsanalyses uitgevoerd, waarbij onder meer een lagere vaccinatiegraad, een tragere detectie van gevallen, meerdere introducties van het virus en andere aannames over verspreiding werden onderzocht. Hoewel de absolute grootte van uitbraken varieerde tussen de scenario's, bleef de centrale conclusie consistent: een quarantaine van 18 dagen bood in de meeste situaties vrijwel dezelfde bescherming tegen verdere verspreiding als een quarantaine van 21 dagen.

    De resultaten van deze simulatiestudie bleven niet beperkt tot een theoretische oefening. Ze vormden mee de wetenschappelijke onderbouwing voor een herziening van de Vlaamse richtlijnen voor de aanpak van mazelenuitbraken. Op basis van deze bevindingen werd beslist dat een quarantaine van 18 dagen na de laatste blootstelling volstaat voor vatbare kinderen in lagere scholen met een vaccinatiegraad onder de 70% en steeds in kinderdagverblijven, terwijl voor scholen met een hogere vaccinatiegraad tussen 70% en 95% in de nieuwe richtlijn geen bijkomende quarantainemaatregelen nodig zijn. Daarmee werd afgestapt van de vroegere aanbeveling van 21 dagen. De cut-off van 70% werd genomen omdat de simulaties aantoonden dat onder deze drempel het risico op verdere transmissie duidelijk toeneemt. Het beleid rond PEV bleef ongewijzigd, omdat deze ook fungeert als inhaalvaccinatie en daardoor ook een toekomstig voordeel oplevert. We vergelijken de nieuwe en oude richtlijn in Tabel 1.

    Tabel 1: Oude en nieuwe richtlijn omtrent mazelenuitbraken in scholen en kinderdagverblijven. PEV = postexpositievaccinatie.

    Oude richtlijnNieuwe richtlijnQuarantaine 21 dagenQuarantaine 18 dagenScholen met vaccinatiegraad < 95% Scholen met vaccinatiegraad < 70% PEV binnen 72u na eerste blootstelling*PEV binnen 72u na eerste blootstelling**Na 72u wordt de vaccinatiestatus bekeken en worden inhaalvaccinaties (conform de leeftijd) gegeven. Bij clusters wordt ook vervroegde vaccinatie toegediend vanaf de leeftijd van 6 maanden.

    Conclusie

    Mazelen blijft, ondanks een hoge algemene vaccinatiegraad in België, een reële uitdaging voor de volksgezondheid. Lokale verschillen in immuniteit zorgen ervoor dat uitbraken zich nog steeds kunnen voordoen, vooral in lagere scholen met een lage vaccinatiegraad en kinderdagverblijven (5).

    Onze simulatiestudie toont aan dat een quarantaineperiode van 18 dagen in de meeste situaties vrijwel even doeltreffend is als de klassieke periode van 21 dagen. Een risico-gebaseerde aanpak, waarbij rekening wordt gehouden met de vaccinatiegraad en de epidemiologische context, kan de verspreiding van mazelen beperken zonder gezinnen en scholen onnodig zwaar te belasten. De Vlaamse beleidsaanpassing die uit deze resultaten voortvloeide, illustreert hoe wiskundige modellen kunnen bijdragen aan proportionele, haalbare en onderbouwde richtlijnen voor infectieziektebestrijding.

    Referenties

  1. World Health Organization. 9th Meeting of the European Regional Verification Commission for Measles and Rubella Elimination (RVC). 2021. Geneva: World Health Organization.
  2. European Centre for Disease Prevention and Control. Measles. Annual Epidemiological Report for 2024. Stockholm: ECDC. 2025. Available at https://www.ecdc.europa.eu/en/publications-data/measles-annual-epidemiological-report-2024
  3. European Centre for Disease Prevention and Control. Measles and Rubella monthly report. Stockholm: ECDC. 2026. Available at https://measles-rubella-monthly.ecdc.europa.eu/
  4. Hens N, Abrams S, Santermans E, et al. Assessing the risk of measles resurgence in a highly vaccinated population: Belgium anno 2013. Euro Surveill 2015;20(1):20998.
  5. Braeye T, Sabbe M, Hutse V, et al. Obstacles in measles elimination: an in-depth description of a measles outbreak in Ghent, Belgium, spring 2011. Arch Pub Health 2013;71:17.
  6. Asnong C, Van Herck K, Lernout T, et al. Lessons learned from a measles outbreak in Antwerp, Belgium: 2007-2008. Pediatr Infect Dis J 2011;30(4):343-5.
  7. Lessler J, Reich NG, Brookmeyer, R, et al. Incubation periods of acute respiratory viral infections: a systematic review. Lancet Infect Dis 2009;9(5):291-300.
  8. Gastanaduy PA, Banerjee E, DeBolt C, et al. Public health responses during measles outbreaks in elimination settings: strategies and challenges. Hum Vaccin Immunother 2018;14(9):2222-38.
  9. Kremer C, Hammami N, Cornelissen L, et al. Informing quarantine policy for measles control in primary school and daycare settings: insights from a simulation study, Flanders, Belgium. Euro Surveill 2026;31(22):2500763.
  10. Enanoria WT, Liu F, Zipprich J, et al. The effect of contact investigations and public health interventions in the control and prevention of measles transmission: a simulation study. PLoS One 2016;11(12):e0167160.11.
  11. Pike S, Melnick A, Gastanaduy PA, et al. Societal cost of a measles outbreak. Pediatrics 2021;147(4):e2020027037.
  1. World Health Organization. 9th Meeting of the European Regional Verification Commission for Measles and Rubella Elimination (RVC). 2021. Geneva: World Health Organization.
  2. European Centre for Disease Prevention and Control. Measles. Annual Epidemiological Report for 2024. Stockholm: ECDC. 2025. Available at https://www.ecdc.europa.eu/en/publications-data/measles-annual-epidemiological-report-2024
  3. European Centre for Disease Prevention and Control. Measles and Rubella monthly report. Stockholm: ECDC. 2026. Available at https://measles-rubella-monthly.ecdc.europa.eu/
  4. Hens N, Abrams S, Santermans E, et al. Assessing the risk of measles resurgence in a highly vaccinated population: Belgium anno 2013. Euro Surveill 2015;20(1):20998.
  5. Braeye T, Sabbe M, Hutse V, et al. Obstacles in measles elimination: an in-depth description of a measles outbreak in Ghent, Belgium, spring 2011. Arch Pub Health 2013;71:17.
  6. Asnong C, Van Herck K, Lernout T, et al. Lessons learned from a measles outbreak in Antwerp, Belgium: 2007-2008. Pediatr Infect Dis J 2011;30(4):343-5.
  7. Lessler J, Reich NG, Brookmeyer, R, et al. Incubation periods of acute respiratory viral infections: a systematic review. Lancet Infect Dis 2009;9(5):291-300.
  8. Gastanaduy PA, Banerjee E, DeBolt C, et al. Public health responses during measles outbreaks in elimination settings: strategies and challenges. Hum Vaccin Immunother 2018;14(9):2222-38.
  9. Kremer C, Hammami N, Cornelissen L, et al. Informing quarantine policy for measles control in primary school and daycare settings: insights from a simulation study, Flanders, Belgium. Euro Surveill 2026;31(22):2500763.
  10. Enanoria WT, Liu F, Zipprich J, et al. The effect of contact investigations and public health interventions in the control and prevention of measles transmission: a simulation study. PLoS One 2016;11(12):e0167160.11.
  11. Pike S, Melnick A, Gastanaduy PA, et al. Societal cost of a measles outbreak. Pediatrics 2021;147(4):e2020027037.