De eerstelijnsspin in het mentale-welzijnsweb
Dr. Ruben Willems1,*, prof. dr. Kris Van den Broeck2, Reini Haverals3, prof. dr. Lieven Annemans1, dr. Pauline Boeckxstaens3, prof. dr. Didier Schrijvers4,5, prof. dr. Geert Goderis6, dr. Elke Peeters7, prof. dr. Liesbeth Borgermans1
1. Interuniversity Center for Health Economic Research (I-CHER), unit gezondheidseconomie en -management, vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg, Universiteit Gent2. Vakgroep Huisartsgeneeskunde en Populatiegezondheid, Universiteit Antwerpen3. Unit Huisartsengeneeskunde, vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg, Universiteit Gent4. Vakgroep Psychiatrie, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI) en UZ Antwerpen, Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen5. Vakgroep Psychiatrie, Universitair Psychiatrisch Centrum Duffel6. Vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg, KU Leuven7. Afdeling Medische zaken, Johnson & Johnson
Zorg voor mentaal welzijn is complexe zorg. Ondanks jaren aan onderzoek zijn behandeluitkomsten voor depressieve klachten weinig verbeterd. Het geïntegreerde depressiezorgproject (IDECA) onderzocht daarom een geïntegreerd zorgmodel binnen de huisartsenpraktijk, met centraal een referentiepersoon mentaal welzijn (RPMW) als zorgbehartiger, met zelfzorgmodules, medicatieopvolging en gedeelde zorgprincipes om de samenwerking tussen zorglijnen te verbeteren. Dit zorgmodel bleek gemakkelijk te integreren in de huidige huisartsenpraktijk, waar de rol van de RPMW ervaren werd als een meerwaarde, waarbij patiënten laagdrempelige ondersteuning kregen in hun vertrouwde omgeving. Voornamelijk financieel kwetsbare patiënten die eerder onvoldoende baat hadden bij eerstelijnshulp en bij wie de huisarts het gevoel had vast te lopen, werden doorverwezen naar de RPMW. Voorlopige resultaten tonen klinisch relevante dalingen in depressieve klachten, vooral bij patiënten met ernstigere klachten bij aanvang. De studieresultaten zijn geëxtrapoleerd naar een investeringskost voor een nationale uitrol.
Take-home messages
- Het functieprofiel van de huisarts is evolutief, waarbij klinisch leiderschap en het aansturen van en samenwerken met andere zorgverleners en sociale werkers aan belang zal toenemen.
- Zowel voor artsen werkzaam in solo- als groepspraktijken geldt dat samenwerking met meerdere disciplines, waarvan sommigen onder één dak, belangrijk is voor de herkenbaarheid van het team en het vertrouwen van patiënten.
- Een eerstelijnszorgverlener met focus op mentaal welzijn kan voor de patiënten de drempel tot passende ondersteuning verlagen.
- Geïntegreerde depressiezorg is pas effectief wanneer dit meer inhoudt dan louter coördinatie: intensifiëring van zorg is een doel- en herstelgericht verhaal, vertrekkende vanuit het leven van de patiënt.
Zorg voor mentaal welzijn is complexe zorg. Ondanks jaren aan onderzoek zijn behandeluitkomsten voor depressieve klachten weinig verbeterd. Het geïntegreerde depressiezorgproject (IDECA) onderzocht daarom een geïntegreerd zorgmodel binnen de huisartsenpraktijk, met centraal een referentiepersoon mentaal welzijn (RPMW) als zorgbehartiger, met zelfzorgmodules, medicatieopvolging en gedeelde zorgprincipes om de samenwerking tussen zorglijnen te verbeteren. Dit zorgmodel bleek gemakkelijk te integreren in de huidige huisartsenpraktijk, waar de rol van de RPMW ervaren werd als een meerwaarde, waarbij patiënten laagdrempelige ondersteuning kregen in hun vertrouwde omgeving. Voornamelijk financieel kwetsbare patiënten die eerder onvoldoende baat hadden bij eerstelijnshulp en bij wie de huisarts het gevoel had vast te lopen, werden doorverwezen naar de RPMW. Voorlopige resultaten tonen klinisch relevante dalingen in depressieve klachten, vooral bij patiënten met ernstigere klachten bij aanvang. De studieresultaten zijn geëxtrapoleerd naar een investeringskost voor een nationale uitrol.
Zorg voor mentaal welzijn is complexe zorg
Er is een groeiende maatschappelijke bezorgdheid rond mentaal welzijn. Over een periode van 12 maanden voldoet bijvoorbeeld meer dan één op vijf volwassenen in Vlaanderen aan de klinische criteria van een psychologische stoornis. Zo maakte in het jaar 2023 ongeveer 9% van de volwassen bevolking in het afgelopen jaar een depressie door, wat hoger ligt in vergelijking met de internationale benchmark én een lichte historische verhoging inhoudt (1). Bovendien is er vaak sprake van psychische comorbiditeit. De COVID-19-periode zorgde voor een stijging in depressieve en angstklachten, en hoewel de piek achter ons ligt, blijven de gevolgen merkbaar (2).
Tussen het ontstaan van psychische klachten en het ontvangen van professionele hulp verloopt vaak veel tijd. Slechts 40% van de volwassenen met psychische klachten krijgt hulp binnen het eerste jaar na het ontstaan van de klachten. Vaak spelen stigma, schaamte en geldproblemen een belangrijke rol. Mensen met een depressie zoeken gemiddeld iets sneller hulp, maar ook daar is er een grote groep die van mening is het zelf te moeten of kunnen oplossen (3, 4). Wanneer de belangrijke stap tot hulp zoeken is gezet, worden velen geconfronteerd met substantiële wachtlijsten. Bij het leeuwendeel van de patiënten blijft de klachten ondertussen aanwezig of worden ze juist ernstiger (5, 6). Wanneer een medische en/of psychotherapeutische behandeling kan opgestart worden, blijven de behandeleffecten sterk individueel bepaald . Het is opvallend dat de behandelresultaten voor depressie doorheen de tijd niet duidelijk verbeterd zijn (8), ondanks het vele onderzoek en de groeiende praktijkervaring. Mogelijk komt dit doordat er een nadruk is gelegd op het optimaliseren van specifieke therapietechnieken, terwijl onderzoek heeft aangetoond dat dit slechts een beperkt deel van het interventie-effect verklaart (9, 10).
KADER: Ondanks decennia aan onderzoek zijn de uitkomsten van specifieke behandelingen voor depressieve klachten weinig verbeterd. Een andere zorgorganisatorische aanpak met aandacht voor het ecosysteem en noden op meerdere domeinen lijkt aangewezen.
Een andere insteek lijkt aangewezen. Er is behoefte aan een aanpak met aandacht voor het cruciale gegeven dat geestelijke-gezondheidszorg vaak complexe zorg is die plaatsvindt binnen een breder ecosysteem van zorg en ondersteuning, waarbij patiënten vaak noden ervaren op verschillende levensdomeinen. Er is daarom behoefte aan een model dat inzet op gedeïnstitutionaliseerde en gedecentraliseerde zorg, waarbij laagdrempelige, continue en goed afgestemde zorg centraal staat. Daarbij wordt de patiënt dicht bij diens bekende omgeving gehouden. De eerstelijnszorg wordt dan ook gezien als een uitermate geschikte plek om depressie tijdig te herkennen en op te volgen (3, 11).
____LR
Er is behoefte aan een aanpak met aandacht voor het cruciale gegeven dat geestelijke-gezondheidszorg vaak complexe zorg is die plaatsvindt binnen een breder ecosysteem van zorg en ondersteuning.
___LR
Implementatiegerichte studie
Dit uitgangspunt vormde de basis van het IDECA-project, wat staat voor Integrated DEpression CAre. Het project richtte zich op het benutten, versterken en verbinden van de zorg en ondersteuning die vandaag de dag al bestaat. De nadruk lag op het versterken van de huisartsenpraktijk en op betere samenwerking met andere zorg- en welzijnsactoren. De principes zijn sterk geënt op collaboratieve zorg, met daarbij een centrale rol voor een referentiepersoon mentaal welzijn (RPMW) die onder hetzelfde dak als en in samenwerking met de huisarts werkt. Daarnaast omvatte het model educatieve zelfzorgmodules voor patiënten, een medicatiepad voor depressie, en een leidraad voor gedeelde zorgprincipes. De deelnemende huisartsen kregen een specifieke training rond geïntegreerde zorg en populatiemanagement (12).
KADER: Het is geen rocket science: professionele samenwerking rond mentale problemen onder het veilige dak van de huisartsenpraktijk.
Twee halftijdse RPMW’s werden na een zes weken durende opleiding ingezet in meerdere huisartsenpraktijken in twee eerstelijnszones. Ze hielpen om de noden van patiënten beter in kaart te brengen, fungeerden als laagdrempelige vertrouwenspersoon, organiseerden opvolging op langere termijn en namen zelf actief contact op met de patiënt wanneer dat nodig was. Daarnaast ondersteunden ze patiënten bij het formuleren van persoonlijke doelen. Vanuit hun kennis van het lokale zorg- en welzijnsaanbod hielpen zij patiënten de stap te zetten naar sociale activiteiten of psychosociale hulpverlening. Ook signaleerden ze mogelijke problemen rond medicatiegebruik (12). Voorgaande praktijken uit het buitenland hebben een positieve impact aangetoond van dergelijke geïntegreerde zorgmodellen op de mentale gezondheid (13). Het IDECA-project onderzocht daarom in welke mate dit model in Vlaanderen kan worden geïmplementeerd. Via een combinatie van onderzoeksmethodes werd het implementatiekader van deze in de praktijk gegronde complexe zorgmodel onderzocht (Figuur 1). In lijn met de doelstellingen van de studie werd er geopteerd voor het niet includeren van een controlegroep, waardoor geen uitspraken kunnen gedaan worden over de absolute klinische effectiviteit (12).
Overgenomen en vrij vertaald uit Willems et al. (2026) (12).
Implementeerbaar én kwalitatief
In totaal begeleidde één voltijdse RPMW-equivalent op jaarbasis 175 patiënten, met gemiddeld vijf contacten per patiënt. Aangezien aan huisartsen de vrijheid gegeven werd om de patiënten door te sturen waarvan zij van oordeel waren dat die er het meest behoefte aan had, rekening houdende met de schaarse capaciteitsmogelijkheden van de RPMW, was het patiëntprofiel één van de onderzoeksvragen. Ruim de helft van de patiënten had een matig-ernstige (PHQ-9 score 15-19) of ernstige (PHQ-9 score ≥ 20) depressiescore bij aanvang. De doorverwijzing richtte zich vooral op gemotiveerde, maar financieel kwetsbare patiënten bij wie huisartsen het gevoel hadden vast te lopen. Deze patiënten hadden niet noodzakelijk residentiële zorg nodig, maar hadden meestal al eerstelijnshulp geprobeerd zonder voldoende resultaat. De RPMW’s merkten bovendien op dat tijdens de intakegesprekken vaak onderliggende ervaringen rond trauma of hechtingsproblemen naar boven kwamen (12).
De eerste resultaten zijn hoopgevend. Mensen die begeleiding kregen van een RPMW zagen hun depressieve klachten statistisch én klinisch significant afnemen in de eerste maanden van het traject, met doorlopende effecten over de hele studieperiode. De sterkste verbetering was zichtbaar bij patiënten die bij aanvang ernstigere depressieve klachten of een lagere levenskwaliteit rapporteerden. De werkende kracht van de RPMW lijkt niet zozeer samen te hangen met het aantal gesprekken, maar vooral met de aard van de ondersteuning die vertrekt vanuit wat er op dat moment speelt in het leven van de patiënt in plaats te vertrekken vanuit diagnostiek. Klinische klachten stonden namelijk vaak niet op zichzelf, maar waren nauw verweven met sociale stressoren en littekens uit het leven. De RPMW hielp patiënten om hun klachten beter te begrijpen, opnieuw structuur te vinden, grenzen te stellen, emoties te reguleren en waar nodig de juiste (sociale) hulp in te schakelen. Een vorig jaar gepubliceerde meta-analyse toont aan dat verschillende onderdelen van geïntegreerde depressiezorg kunnen bijdragen aan betere klinische uitkomsten. In de eerste plaats therapeutische zorgaspecten, maar ook zorgbehartiging en samenwerking, doelgerichte zorg en monitoring (15).
De resultaten wijzen op de haalbaarheid en aanvaardbaarheid van het IDECA-zorgmodel, doordat het gemakkelijk in de bestaande werking van huisartsenpraktijken kan worden opgenomen, met weinig disruptie van het dagelijkse werken als huisarts. Reeds na enkele maanden werd de nieuwe zorgpraktijk als een normaal onderdeel van de huisartsenpraktijk gezien. In het bijzonder werd de RPMW gewaardeerd voor de extra ondersteuning in de praktijkvoering, waardoor de huisartsen zich konden focussen op zorgtaken waarvoor ze beter opgeleid zijn. De zorg was bovendien toegankelijk, persoonlijk, praktisch en ingebed in de vertrouwde omgeving van de huisartsenpraktijk. Patiënten voelden zich gehoord en ondersteund, en waardeerden vooral de combinatie van empathie, concrete tips en actieve doorverwijzing (12).
KADER: Doorverwezen patiënten waren veelal financieel kwetsbare patiënten met reeds voorgaande, weinig succesvolle zorgpogingen binnen de eerste lijn. Vooral patiënten met bij aanvang ernstige depressieve klachten lijken er wel bij te varen.
Economisch vraagt een brede uitrol van de RPMW een aanzienlijke investering a rato van 119.000 tot 135.000 euro per voltijdse equivalent (inclusief loonkost, organisatiekost en vergoeding voor de huisartsenpraktijk). Om dit in perspectief te plaatsen: indien de helft van de huisartsen in België een samenwerking met een RPMW zouden aangaan zoals dit in het project is gebeurd, zou dit een jaarlijks budget vergen van 39 à 45 miljoen euro. In een geleidelijk groeiscenario, waarbij elk jaar 10% extra huisartsen instappen, is er jaarlijks ongeveer 8 tot 9 miljoen euro bijkomend budget nodig. In 2025 werd ter vergelijking 176 miljoen euro gespendeerd aan louter de loonkost binnen de eerstelijnspsychologische conventie (16). Daartegenover staat dat eerste kostenanalyses suggereren dat intensievere RPMW-begeleiding mogelijks samengaat met lagere directe zorgkosten.
Encadre-(+QR-code link)---Meer weten?
Een volledige uiteenzetting van het IDECA-project, inclusief eerste resultaten rond toepasbaarheid en appreciatie door patiënten en zorgverleners, kan gevonden worden in Willems R, Van den Broeck K, Haverals R, et al. Development, Feasibility, and Appreciation of the Collaborative Integrated Depression Care (IDECA) Project in Flanders, Belgium. J Clin Med 2026;15:2326. Deze paper vormt een eerste van een geplande reeks wetenschappelijke artikelen.